‘Waddenfaciliteit is nu al nodig’
Door Karin de Mik
Dit jaar nog moet de minister besluiten over een op te richten Waddenfaciliteit. Dat betoogt Jan Jaap de Graeff, die een rapport schreef over wat er na beëindiging van het Waddenfonds moet gebeuren. ‘Die Waddenfaciliteit heb je nu al nodig. Dus laten we er haast mee maken en samen onze schouders eronder zetten’, zegt hij. Er is volgens hem nu al meer geld nodig om meer te doen voor het Waddengebied.
De Graeff pleit voor een faciliteit die diverse geldstromen met elkaar moet verbinden. Hij schreef daarover, samen met Carla de Rie, het adviesrapport Werk aan de Wadden in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. ‘Bestaande geldstromen uit subsidieregelingen moet je verbinden met extra geld. Daarbij gaat het onder om de Programmatische Aanpak Grote Wateren, het Hoogwaterbeschermingsprogramma en in de toekomst mogelijk ook om compensatiegeld voor nieuwe activiteiten. Met behulp van het Waddenfonds en het Investeringskader Waddengebied gebeurt dat voor een deel al. Maar er is niet genoeg geld om ook echt iets extra’s te doen voor het Waddengebied als projecten met elkaar worden verbonden. Dus alle reden om zo’n faciliteit op kort termijn te financieren. Dat zal moeten gebeuren door de betrokken overheden. En als er de komende jaren extra geld vrijkomt kan dat in de die faciliteit worden gestopt. Denk bijvoorbeeld aan de compensatiegelden van Defensie of aanlanding van kabels.’ Om de kennis, expertise en netwerken van het Waddenfonds in te passen in de nieuwe organisatie is ook haast geboden. ‘Medewerkers hebben dan zekerheid. Anders heb je kans dat ze weggaan als het Waddenfonds ophoudt te bestaan.’
Minder knellend
In de periode dat De Graeff schreef aan zijn adviesrapport bleken de drie Waddenprovincies, -gemeenten en -eilanden als vervanging van het Waddenfonds een structureel Kustfonds te willen. Dat viel niet in goede aarde bij De Graeff. ‘Dat initiatief gaf verwarring. Ook was onduidelijk waar het geld aan besteed zou moeten worden.’
De regels die bepalen waar bestaande geldstromen naar toe gaan, mogen wat minder knellend zijn, vindt De Graeff. ‘Als je bijvoorbeeld nu geld spendeert aan kustverdediging kun je dat alleen aan veiligheid besteden. Maar er zou ruimte moeten zijn om dat bijvoorbeeld ook aan recreatieve voorzieningen uit te geven. Of aan de ecologische kwaliteit van de kustzone. De huidige subsidieregels staan dat nu in de weg.’

Jan Jaap de Graeff (Den Haag, 1949) studeerde waterzuivering, nu milieuhygiëne, aan de Landbouwhogeschool Wageningen en werkte onder meer bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat en als dijkgraaf. Verder was hij algemeen directeur van Natuurmonumenten en voorzitter van de Raad voor de Leefomgeving. Tijdens zijn carrière was hij ook acht jaar voorzitter van het Overlegorgaan Nationaal Park Schiermonnikoog.
In opdracht van het ministerie van I&W onderzocht De Graeff het afgelopen jaar, samen met Carla de Rie van Lysias Advies, welke prioriteiten gelden voor de aanpak van de problematiek in de Waddenzee en in het Waddengebied én welke governance daarbij past. Ook werd onderzocht welke geldstromen kunnen worden benut en wat er moet gebeuren met het Waddenfonds als dit ophoudt te bestaan.
Voordat hij zijn opdracht begon moest hij zich eerst maanden inlezen in het krachtenveld van het Waddengebied. ‘Het is een complex gebied, zowel ecologisch als bestuurlijk. Er zijn ontzettend veel verschillende partijen bij betrokken. De belangen zijn groot en soms tegenstrijdig. We hadden het gevoel een grote knoop te moeten ontwarren. Maar dat was ook de leuke kant van de opdracht.’
Toch vindt De Graeff niet dat er te veel bestuurlijke tafels rondom het Waddengebied staan. Van een onoverzichtelijke ‘bestuurlijke spaghetti’ wil hij niet spreken. Integendeel.
De structuur is volgens hem duidelijk. Die bestaat uit het Bestuurlijk Overleg Waddengebied (BOW) waarin rijk, provincies, gemeenten en waterschappen beleidskeuzes maken voor het Waddengebied. Met het Omgevingsberaad Waddengebied (OBW) als adviseur en de Beheerautoriteit Waddenzee als beheerder, terzijde gestaan door het Waddenfonds en de Waddenacademie. ‘In de kern is dat een behoorlijk construct en een goed samenwerkingsverband.’ In een waddendrost, die oud-burgemeester Bas Eenhoorn van Schiermonnikoog ooit opperde, ziet hij dan ook niets. ‘Dan introduceer je een soort hiërarchie. Iemand die de baas gaat spelen over anderen. Je loopt dan binnen de kortste keren vast. Het is ook de vraag welke bevoegdheden zo’n persoon moet krijgen.’
Praatcircus
Waarmee De Graeff niet wil zeggen dat er niets te verbeteren valt aan de werkwijze van het waddenberaad: het bestuurlijk overleg waddengebied, waar ook de provincies in zitten. Zo pleit hij onder meer voor versterking van de onderlinge relatie tussen het BOW, OBW en de Beheerautoriteit Waddenzee (opgericht in 2020, verantwoordelijk voor integraal natuur-, vis—en waterbeheer van de Waddenzee red.) en het sneller inspelen op actuele politieke vraagstukken. Dat de Beheerautoriteit nooit als zelfstandige partij een plaats kreeg aan de bestuurstafels is overigens een manco, meent hij. ‘Want als het Bestuurlijk Overleg standpunten inneemt is het goed om rekening te houden met de inzichten van de beheerders.’
Zowel het Omgevingsberaad als het Bestuurlijk Overleg moet belangrijke onderwerpen tijdig agenderen, meent De Graeff. ‘Er zou onderling een goed debat gevoerd moeten worden over grote vraagstukken die het Waddengebied raken. Zoals bijvoorbeeld over de gevolgen van klimaatveranderingen of verplichtingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen. Denk aan bijvoorbeeld de Europese kaderrichtlijn water. Sta van tijd tot tijd binnen het Beraad eens stil wat die voor de Waddenzee betekent. Je zou daar adviezen over kunnen geven of besluiten over kunnen nemen. Meer fundamenteel: we zeggen nu wel dat de natuur op een staat in het Waddengebied, maar gebeurt dat in de praktijk ook? Het is nu toch te veel een praatcircus.’
De Graeff vermoedt dat besluitvorming in het waddenberaad soms onbewust uit de weg wordt gegaan. ‘Ik denk omdat keuzes maken lastig is. En omdat die keuzes geld kosten of omdat je zult moeten kiezen bepaalde dingen niet of anders te doen.’ Als voorbeeld noemt hij de discussie over de garnalenvisserij van vorig jaar. ‘Overheden en vissers waren nog in overleg en leken elkaar te vinden. Tot de staatsecretaris er dwars doorheen ging en een vergunning afgaf voor twintig jaar. Voor zover ik weet is daar in het BOW niet echt over gesproken.’
Impasse
Een ander onderwerp dat naar zijn smaak aandacht verdient in het beraad zijn de vergunningen voor aanlanding van wind op zee, defensieactiviteiten en gaswinning. ‘Je kunt ervanuit gaan dat hier juridische procedures tegen worden gevoerd. Er gelden hierbij Europese wetten en regels, die voorschrijven wat er wel en niet mag in het Waddengebied. Je moet voorkomen dat je in een stikstofachtig debat terecht komt. Het BOW zou hier op voorhand over moeten nadenken. Je moet niet in een impasse belanden.’
Maar hoe kun je op mogelijke bezwaren anticiperen? De weg naar de rechter staat immers open voor iedereen. De Graeff: ‘Natuurlijk is dat ingewikkeld. Maar je kunt nagaan wat wel en wat niet mogelijk is. En of je door juridische procedures in de problemen kunt komen. In de Waddenzee staan natuur en landschap op één. Dat betekent dat daar nu eenmaal niet alles kan wat je wilt.’ Wat niet wil zeggen dat elke activiteit onmogelijk is, geeft De Graeff aan. ‘Er zit een enorme spanning op de doelen. Er kan best wat, maar niet alles kan. Dat gesprek moet je voeren.’